Hoe groot is de armoede in Suriname nu écht? PDF Afdrukken E-mailadres
Nieuws / blog - Nieuws / blog

(gepubliceerd in de nieuwbrief van april 2012)

 

Rosita SobhieEr is reeds enige tijd discussie over de wijze waarop armoede wordt gemeten in Suriname. Vooral het hoge armoedecijfer van het Algemene Bureau voor de Statistiek (67% in 2000) heeft deze discussie opgang gebracht. De kritieken concentreren zich voornamelijk rond de uitkomst van het armoedepercentage en de gehanteerde methode die als eenzijdig en achterhaald wordt aangemerkt. Dit was voor drs. Rosita Sobhie de aanleiding om op zoek te gaan naar een betere meetmethode voor armoede. De resultaten van haar onderzoek heeft ze verwoordt in haar thesis als afronding van de opleiding Marco-economic Analysis and Policy van het Institute of Graduate Studies and Research (IGSR). In dit artikel worden de relevante onderdelen van haar thesis weergegeven.

Hoe wordt armoede gemeten?

Armoede is een verschijnsel dat zich onder meer weerspiegelt in een tekort aan middelen voor het levensonderhoud, onbevredigende leefomstandigheden, een gebrekkig onderwijsniveau en/of onvoldoende toegang tot gezondheidszorg. Dit verschijnsel kan op ééndimensionale dan wel op multidimensionale wijzen worden benaderd. In het eerste geval ligt het accent op een tekort aan inkomen. Multidimensionale benaderingen nemen meerdere dimensies van de menselijke leefomstandigheden in beschouwing en bieden daarom, zoals ik zal aantonen, een realistischere weerspiegeling van de omvang en de aard van de armoede. Het is dan ook begrijpelijk dat zich reeds enige tijd een accentverschuiving voltrekt in de richting van de laatstbedoelde benaderingen. Hierbij is het van essentieel belang te beschikken over een doelmatige operationele definitie van armoede.

Maar ook internationaal zijn geen eenduidige definities voor armoede. Ieder land gebruikt andere variabelen, zet andersoortige surveys op en beschikt wel of niet over adequate basisinformatie. Daarom dient Suriname een eigen methode te ontwerpen voor het onderzoeken van armoede. Wel is duidelijk dat ééndimensionale benaderingen de armoede vaak overschatten. In Suriname wordt tot op heden nog één dimensionaal gemeten.

Huidige definitie volgens Algemeen Bureau voor Statistiek (ABS)

Het ABS (2000) omschrijft armoede als: “Een eenheid (persoon, gezin of huishouden) wordt als arm beschouwd als ze niet over voldoende middelen beschikt om te voorzien in haar basisbehoeften, waarbij een prominente rol vervuld wordt door de behoefte aan voeding”. Het ABS typeert haar methode als een “unidimensionale geldarmoede methodiek”, maar bovenstaande definiëring sluit beter aan bij de basic needs benadering.

In 2000 was de armoede percentage volgens calculatie van het ABS 67 procent. Wordt er uitgegaan van de 2 USD per dag inkomensgrens, dan was er landelijk een armoedepercentage van 20%.

De onderzoekster merkt daarbij op, dat: Wereldwijd armoede tussen 1980-2000 sterk is verminderd. De gepubliceerde statistieken van het ABS laten daarentegen voor ons land een stijgende trend zien, waarbij zij aangetekend dat Suriname in de periode 1990-1996 een enorme inflatie heeft gekend die lonen, pensioenen en spaargelden heeft geërodeerd;

Het ABS is zich ervan bewust dat de huidige benadering van de armoedemetingen moet worden verbeterd, en evalueert de thans gebruikte calculatiemethode. In dit kader is in augustus 2010 een internationale armoedeconferentie gehouden, waarbij de conclusie is getrokken dat niet volstaan kan worden met de huidige benadering alleen. Er dient een traject te worden uitgezet om uiteindelijk de armoede volgens een multidimensionale benadering te kwantificeren.

Hoe heeft u het armoedepercentage voor Suriname gemeten?

Om voor Suriname te bepalen wat de variabelen zijn, die bepalen of iemand wel of niet arm is, heeft drs. Sobhie de volgende werkwijze gebruikt. In een bestaande dataset van het ministerie van SOZAVO zocht zij naar indicatoren die voor Suriname relevant zijn om armoede te meten. Ze is niet bij voorbaat uitgegaan van een aantal indicatoren waarvan ze dacht: die moeten het zijn. Maar werkte met de technieken (factoranalyse) uit de statistiek, waarmee men de data zelf kan bepalen welke indicatoren voor Suriname armoede gevoelig zijn. Voor Suriname bleken dat de volgende variabelen te zijn:  1. Toegang tot water- en sanitaire faciliteiten, 2.Financiële status, 3. Leef- en wooncomfort en 4. Educatie.

Nadat deze indicatoren waren vastgesteld, groepeerde de onderzoekster, weer met behulp van statistiek, de huishoudens in een groep arme en een groep niet-arme huishoudens. Op basis daarvan zijn de onderstaande resultaten naar boven gekomen.

Resultaat armoedecijfers op basis van nieuwe methodiek

armoedecijfersMet behulp van de toegepaste methodiek zoals hierboven beschreven komt de onderzoekster uit op een landelijk armoede percentage van 29%. Er is een groot verschil in armoedepercentages per district. Zo is er een armoede percentage van 19% in Para en 97% in Sipaliwini. Ze zegt hierover: Ik heb de indruk dat hierbij verschillen in de preferenties van huishoudens en in de mate van het produceren van goederen en diensten voor eigen gebruik een rol spelen. De geconstateerde verschillen benadrukken dat bij het bestuderen van het armoedeverschijnsel niet alleen de omvang van armoede aandacht behoeft, maar ook de intensiteit en de spreiding daarvan.De onderzoekster geeft verder aan dat: Bedacht moet worden dat mensen in het binnenland relatief zelfvoorzienend zijn, andersoortige preferenties hebben en nogal wat steun ontvangen buiten hun eigen gemeenschap. Ofwel nader onderzoek is gewenst.

De onderzoekster heeft de landelijke resultaten vergeleken met de districten Paramaribo en Wanica. Landelijk gezien heeft 41,4 procent geen of onvoldoende  toegang tot waterbronnen en/of heeft geen sanitaire voorziening thuis. Terwijl dit in Paramaribo/Wanica slechts 1 procent is. Er zijn dus grote verschillen per district op welke dimensies hoog wordt gescoord.

Toelichting tabel: Hier worden de armoedepercentages vermeld, welke zijn verkregen door toepassing van clusteranalyse op elke dimensie afzonderlijk. De dimensie “Water en sanitaire faciliteiten” blijkt op landelijk niveau de dimensie met het grootste tekort te zijn, terwijl het voor Paramaribo en Wanica het juist de dimensie is met het laagste tekort.

Armoedecijfers en NGO’s

De onderzoekster geeft duidelijk in haar thesis aan dat: Door het meten van armoede op meerdere dimensies krijgen beleidvoerders en armen meer mogelijkheden dit verschijnsel met een gericht samenstel van economische en sociale instrumenten aan te pakken.

Voor NGO’s betekent dit dat als zij armoede willen bestrijden, dat zij zich dan moeten richten op het verbeteren van water- en sanitaire voorzieningen, beperking van overbemensing van woningen, educatie en verwerven van inkomen. En dat de focus daarbij vooral dient te liggen op het binnenland.

Tot slot

Tot slot geeft drs. Sobhie  aan dat zij bij haar onderzoek heeft moeten roeien met de riemen die ze had. Zo heeft ze gebruik gemaakt van een dataset uit 2000 die niet specifiek bedoeld was voor het meten van armoede, maar wel voldoende relevante armoede-indicatoren bevatte. De census die binnenkort wordt gehouden, gaat wel genoeg data opleveren om de armoede op een multidimensionale manier te meten. De onderzoekster sluit af met: De vraag is, welke informatie uit de census  beschikbaar wordt gesteld aan de samenleving, zodat wetenschappers met de data aan de slag kunnen voor onderzoek en analyses. Er is meer onderzoek nodig naar armoede, zodat er ook gericht beleid kan worden ontworpen voor de bestrijding van armoede.

Onderzoeksrapport

Het rapport van mevrouw Sobhie is als digitaal exemplaar verkrijgbaar bij het IGSR, email: Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien. . Binnenkort brengt zij een paper uit met de belangrijkste resultaten, welke breed verspreid zal worden.